Energieprestatienorm: EPC tot wel 50% aangescherpt!

Vanaf 1 januari 2015 dienen nieuwbouwwoningen aan een Energieprestatie Coëfficiënt (EPC) van 0,4
te voldoen. Vanaf 1 januari 2020 is het kabinet voornemens om de EPC-eis voor nieuwbouwwoningen
op 0,0 vast te stellen. Verder komt er vanuit de markt steeds meer de vraag naar ‘nul op de meter
woningen’. Dit zijn woningen waarvan de ingaande en uitgaande energiestromen per saldo nul zijn.
De woning gebruikt dan, netto op jaarbasis, geen energie uit het net. Wel wordt het net als buffer
gebruikt vanwege (on)gelijktijdigheid van elektriciteitsgebruik van en elektriciteitsopwekking door de
woning.

1.1 Energieprestatie

Het overheidsbeleid is er op gericht om bestaande en nieuwe woningen steeds energiezuiniger te
maken. Voor nieuwbouw geldt hiervoor de energieprestatie (waarbij de waarde weergegeven wordt
als energieprestatie coëfficiënt of EPC). De energieprestatie wordt stapsgewijs aangescherpt.
Aanscherping (verlaging) van de energieprestatie-eis leidt tot minder energiegebruik en CO2-uitstoot.
Een negatieve energieprestatie betekent dat er, over een jaar gerekend, meer energie wordt
opgewekt dan dat aan gebouw gebonden primaire energie wordt verbruikt.
De energieprestatie is een instrument dat door de overheid wordt ingezet in de Bouwregelgeving om
de energetische kwaliteit van bestaande bouw en nieuwbouw (woningen en utiliteitsbouw) te kunnen
kwantificeren en sturen en in de toekomst energieneutraal of energieleverend te bouwen.
De energieprestatie is beperkt tot gebouw gebonden energie dat over een jaar gerekend aan een
woning wordt toegevoerd. Het openbare net mag daarbij als een rekenkundige buffer worden gebruikt
voor teveel opgewekte energie ten opzichte van het momentane gebruik. Terug geleverde elektrische
energie komt ten gunste van een verminderde inzet van fossiele brandstof in elektriciteitscentrales.
In principe kan dus teruggekeerde energie ook aardgasgebruik compenseren. Daarom wordt EPC=0
ook veelal als definitie gehanteerd voor energieneutraal bouwen.

1.2 EPC

In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan de energiezuinigheid van gebouwen. Bij het indienen
van een bouwaanvraag moet door middel van een berekening onderbouwd worden wat het
karakteristieke energiegebruik van het gebouw zal zijn. Vanuit het Bouwbesluit wordt de
rekenmethode voorgeschreven waarmee de EPC berekend moet worden, dit is de NEN 7120.
Het Bouwbesluit heeft een eis waar aan de berekende energieprestatiecoëfficiënt ten hoogste
aan moet voldoen.

Tabel 1.1:  Wijzigingen in Energieprestatie-eisen (EPC) per 1 januari 2015

 


De energieprestatie-eis zegt alleen iets over de minimale energetische kwaliteit waaraan een woning
moet voldoen. De indiener van een bouwaanvraag voor een woning mag zelf bepalen met welke
maatregelen aan de eis wordt voldaan: extra isoleren, energiezuinigere installaties of de toepassing
van duurzame energie.
Een belangrijk uitgangspunt van de prestatienorm is, dat ongeacht het type, de vorm, of de grootte
van de woning, dat gelijksoortige maatregelen tot min of meer de zelfde energieprestatie leiden.
Anders gezegd: grote woningen of woningen met veel dak- of geveloppervlak mogen dus meer
energie gebruiken om aan de energieprestatie-eis te voldoen als kleine compacte woningen.
De energiezuinigheid van een gebouw wordt beïnvloed door een veelvoud aan factoren.
Deze zijn onder te verdelen in vier hoofdgroepen, die gezamenlijk het energieconcept vormen:
• oriëntatie
• ontwerp
• gebouwschil
• installaties


Oriëntatie van het gebouw

De hoeveelheid opvallende zonnewarmte is op jaarbasis op de zuidoriëntatie het hoogst. Wanneer een
gebouw gericht op het zuiden wordt gebouwd, kan dus volop gebruik worden gemaakt van zonnewarmte.
Om oververhitting in de zomerperiode te voorkomen, kan zonwering toegepast worden (zowel bouwkundige zonwering in de vorm van overstekken of gevelelementen als bijvoorbeeld zonneschermen of screens).

Ontwerp van het gebouw

De compactheid van het gebouw en de indeling hebben een sterke invloed op het uiteindelijke
energiegebruik. Hoe compacter het gebouw, hoe kleiner het verliesoppervlak waardoor
warmteverliezen door de gevel beperkt worden. Wanneer bij de indeling van het gebouw rekening
wordt gehouden met de energetische positionering van ruimtes, dan kan energiewinst behaald
worden. Bijvoorbeeld warmere ruimtes als een woonkamer aan de zuidzijde en ‘koudere’ ruimtes als
een keuken en een gangzone aan de noordzijde. Bij een slimme positionering van keuken, badkamer
en opstelruimte voor de warm tapwaterbereider (vaak cv-ketel) kunnen dankzij korte leidingafstanden
warmteverliezen beperkt worden.

Gebouwschil

Hoe beter de warmteweerstand van de gebouwschil is, hoe minder warmte er verloren gaat. De totale
warmteweerstand is afhankelijk van de isolatiewaarde van dichte geveldelen, vloer, dak en ramen, de
luchtdichtheid van het gebouw en de lijnvormige warmteverliezen (koudebruggen).

Installatieconcept

Een efficiënt installatieconcept bespaart veel energie. Het installatieconcept is een samenspel van
ventileren, verwarmen en koelen. De toepassing van energiezuinige technieken en duurzame
opwekking maken het concept compleet.


1.3 EPC-gerelateerd energiegebruik

Bij de berekening van de EPC gaat het om het gebouwgebonden energiegebruik. Dit gebruik wordt
bepaald aan de hand van gestandaardiseerde, forfaitaire waarden (zoals uniforme binnentemperatuur,
ventilatiehoeveelheden, warm watergebruik en verlichting). Er wordt bij de berekening van de EPC
ook geen rekening gehouden met het bewonersgebonden energiegebruik elektriciteit (zoals nodig
voor koken, wassen, computers en andere huishoudelijke apparatuur) en het materiaalgebonden
energiegebruik (energiegebruik voor winning, productie, transport en afvalverwerking van de gebruikte
materialen). Omdat het huishoudelijke energiegebruik en het gebruiksgedrag niet meegerekend
worden bij het bepalen van de EPC, heeft de energieprestatie geen directe relatie met wat er in de
gebruiksfase op de gas- of elektriciteitsmeter is af te lezen aan energiegebruik.
Bij gebouwgebonden energiegebruik gaat het om energiegebruik voor de volgende energieposten:
• verwarmen
• hulpenergie (zoals pompen en elektronica in de ketels)
• warmtapwaterbereiding
• ventilatoren (ventilatiesysteem)
• verlichting (forfaitaire waarde gekoppeld aan de gebruiksoppervlakte)
• koeling
• bevochtiging

Duurzame energie die specifiek voor bepaalde woningen wordt opgewekt (bijvoorbeeld door
zonnepanelen die elektriciteit opwekken) wordt in mindering gebracht op het gebouwgebonden
gebruik. Dat geldt in principe ook voor zonnewarmte; maar dit wordt verdisconteerd in de genoemde
energieposten. Als er, over een jaar gerekend, meer duurzame energie wordt opgewekt dan dat er
aan gebouwgebonden energie wordt verbruikt, dan wordt de energieprestatie negatief. Een negatieve
energieprestatie betekent dus dat er energie (meestal in de vorm van elektriciteit) beschikbaar is voor
huishoudelijk gebruik of andere doeleinden. Daarbij wordt uitgegaan van een energiebalans over een
jaar.

Als er op een bepaald moment meer duurzame elektriciteit wordt opgewekt dan dat de gebouwgebonden elektriciteitsbehoefte is, dan wordt deze teruggeleverd aan het elektriciteitsnet.
Als op een later moment elektriciteit aan het net wordt onttrokken, dan wordt dit in eerste instantie
verrekend met de aan het net teruggeleverde elektriciteit (salderen).


1.4  Verantwoordelijkheid

Volgens artikel 40, lid 1 onder a van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking
van een door burgemeester en wethouders van de gemeente verleende bouwvergunning. Er moet
dus eerst een bouwvergunning worden aangevraagd die moet worden getoetst door de gemeente.
Bij deze aanvraag zit ook de EPC-berekening. Om aan de EPC te voldoen selecteert de ontwerper een
energieconcept (dat bepaald wordt door de oriëntatie, het ontwerp, de gebouwschil en de installaties).
Uit de EPC-berekening moet blijken dat het energieconcept voldoet aan de eis. De bouwvergunning
wordt dan verleend en er kan met de bouw gestart worden. Op de bouwplaats moet vervolgens
gecontroleerd worden of volgens de bouwvergunning wordt gebouwd. In de uitvoering gaan zaken
regelmatig anders dan vooraf bedacht is. Daardoor blijkt het gerealiseerde gebouw in de praktijk vaak
niet te voldoen aan de EPC-eis. Hierdoor komt de beoogde energiebesparing niet overeen met de
wettelijk eisen en krijgt de bewoner een woning waarvan het energiegebruik mogelijk hoger is dan op
grond van de energieprestatie verwacht zou mogen worden. Een correcte EPC-berekening en een
adequate controle op de bouwplaats moet leiden tot een gebouw dat wel aan de eisen voldoet.
Soms worden in het Programma van Eisen (PvE) aanvullende eisen gesteld aan de energiezuinigheid
van het gebouw, die verder gaan dan de eisen uit het Bouwbesluit. Als dergelijke hogere
ambitieniveaus gelden, dan ligt de verantwoordelijkheid voor toetsing en handhaving niet bij de
gemeente maar bij de opdrachtgever en/of zijn adviseur.

Bronvermelding:
DWA - ing. Leendert Vreemann en ir. Gert Harm ten Bolscher. (2014). Woningconcepten EPC 0,4 tot notaloos. Artikelnummer 47882. Zoetermeer: Uneto-VNI.